Ik heb van je noemt een ‘smakelijke job’: creatieve mensen ontmoeten, bakgeuren opsnuiven en vooral kunnen kennismaken met heel wat streekgebonden bakkersspecialiteiten. Dit heerlijk zwerversbestaan zou ik het voor het geld van de wereld willen ruilen voor een kantoorjob. Geef mij maar smeuiige verhalen van bakkers over Limburgse vlaaien, Antwerpse handjes, mastellen en klaaskoeken.
Van dat laatste bakkerijproduct ben ik een echte fan. Elke keer dat ik in Zuid-West Vlaanderen vertoef (de streek tussen of rond Kortijk en Roeselare) hou ik halt aan een warme bakker en sla ik mijn voorraad in. Klaaskoeken werden vroeger mantepeirden of klaaspeerden genoemd. Het zijn in tegenstelling tot wat je zou denken geen speculazen maar koeken in een zoete en licht gekruide sandwichdeeg. Oorspronkelijk waren het grote koeken van een paard, een man, een fiets en werden ze enkel gebakken op 6 december. Nu zijn de vormen kleiner en bakt de warme bakker ze tussen september en eind december. Als je geluk hebt, kan je ook kiezen tussen de klassieke variant of de versie met rozijnen of suiker.
Wat ik tot slot nog het leukste vind, zijn de sappige ‘klaaskoek’-verhalen die mensen vertellen. ‘Ik eet het puur met een kop warme chocolademelk’ of ‘geef mij maar een flinke portie goei boter erbij’ en nog andere beleggen het als een sandwich met jonge kaas. Waarom kan ik toch niet Zuid-West Vlaanderen wonen? De omzet van de bakker zou aanzienlijk stijgen…
